Leven en werk
Hans Hamburger over Clem Schouwenaars
Zoals in de inleiding reeds vermeld staat, werd Clem Schouwenaars in 1932 geboren in Mortsel, een randgemeente van Antwerpen. Hij groeide op in een katholiek gezin, waar hij overigens een allesbehalve gelukkige jeugd had. Drie van zijn broers en zusjes stierven op jonge leeftijd en het enige zusje dat hij nog had, kwam om bij een bombardement van de Amerikanen op Antwerpen in 1943. Het meisje werd door Clem en zijn vader dood onder het puin van haar school vandaan gehaald. In 1960 overleed zijn moeder en kort daarna schoot zijn vader zichzelf met een pistool door het hoofd.
Al deze heftige ervaringen werkten door in het latere werk van Schouwenaars.
Clem bezocht achtereenvolgens drie middelbare scholen en de Vrije Universiteit van Brussel, waar hij na drie jaar zijn studie opgaf. Hij ging in de Public Relations werken, werd daarna journalist en ten slotte leraar.
Nog weer later leefde hij uitsluitend van dichten en schrijven, tot zijn te vroege dood in 1993. Hij noemde zichzelf vrijdenker, sinds hij de vrijmetselarij de rug had toegekeerd. Met de Katholieke kerk had hij daarvoor al gebroken.

Clem Schouwenaars debuteerde met romantisch-esthetische poëzie. Zijn eerste serie gedichten, Het Woud van Licht en Lommer, verscheen in 1955. Later vond hij zelf van deze gedichten, dat hij ze beter niet had kunnen uitgeven. Vervolgens verschenen de poëziebundels Albasten Amforen (1956), Onvoltooide Executie (1958), De Vrouwelijke Verzen (1960) en De Schaduwdrager (1963).

Zijn eerste eerste prozawerk was een novelle, Jij, een Meermin? (1959), waarin al elementen aanwezig zijn die we later in zijn hele oeuvre tegenkomen, zoals de afkeer van alles wat bekrompen en burgerlijk is en het besef van de onmacht zich aan die burgerlijke moraal te onttrekken. Zijn eerste roman, Dokter Simon Falbeck (1963), leverde hem de debutantenprijs "Leo J.Krijnprijs" op. Na De Zeven Nachten (1964) en Tweemaal Leven (1968) verscheen in 1969 zijn eerste autobiografische werk, de roman Een Nacht op Elba, waarin hij op openhartige wijze zijn eigen crisissituatie beschrijft.









In 1972 verscheen De Seizoenen, de definitieve doorbraak van Clem Schouwenaars in de Vlaamse literatuur en voor mij de kennismaking met zijn werk. Dit boek wordt wel als zijn standaardwerk gezien.  
Treurend om een mislukte liefde, begeeft de hoofdfiguur Anton Zevenbergen zich in vrijwillige ballingschap in een klein huisje in de weidse "Cayenne". Acht jaar later, in 1980, vertelt Schouwenaars in zijn autobiografische triptiek Een Morgen in de Moeren, dat het hier gaat om het landschap rondom Lampernisse in de Westhoek, het meest westelijke, aan Frankrijk grenzende deel van West-Vlaanderen.
Anton Zevenbergen woont een jaar in de Cayenne, doorstaat fysieke en psychische ontberingen, legt contacten met mensen van de streek en keert na vier seizoenen gelouterd terug naar de stad.
De roman is duidelijk op eigen ervaringen gebaseerd. Clem Schouwenaars was na het stranden van zijn huwelijk en een teleurstellende nieuwe relatie in een toestand van wanhoop en defaitisme terechtgekomen. Drank en de zelfkant van het leven kregen hem te pakken, tot hij door vrienden aan een huisje werd geholpen in Lampernisse ("de Cayenne"). Hij nam ontslag als leraar, brak met de vrijmetselaars-loge en vestigde zich in die weidse omgeving, ver van de stad waar hij zo diep in de ellende had gezeten.
Eenzaam in Lampernisse schreef hij Een Krans om de Maan, een roman die duidelijk de cynische houding weergeeft van de schrijver in die periode van zijn leven. Het is interessant, De Seizoenen en Een Krans om de Maan achter elkaar te lezen (dus in omgekeerde chronologische volgorde) en dan het verband te ontdekken tussen de door Schouwenaars in Lampernisse geschreven roman en het boek dat Anton Zevenbergen in de Cayenne schrijft.
Een Krans om de Maan gaat over een leraar die net een ongelukkige liefde achter de rug heeft en die tijdens zijn verlofdagen rondom Allerheiligen en Allerzielen het verdriet afreageert in boosheid en defaitisme. Uit het boek spreekt onvrede van de hoofdfiguur met alles: met zijn omgeving, met zijn familie, met mensen in het algemeen, met zijn eigen leven. Onvrede ook met zijn werkkring: het onderwijs.
"De mensen worden er te weinig betaald, worden na enkele jaren dommer dan hun leerlingen, hun vingerhuid schilfert af van het krijt en ze verliezen hun stem, maar ze blijven er bij ter wille van al die verlofdagen. Schaf die af, en je zult de idealisten nog op één hand kunnen tellen."
Ook in latere romans blijkt steeds weer Schouwenaars' afkeer van de sfeer in het onderwijs en de houding van de meeste onderwijs-gevenden.
Hij bleef een jaar (vier seizoenen) alleen in Lampernisse wonen.

Uit Een Morgen in de Moeren:
"Ik moest echter naar Antwerpen terug, om "De Seizoenen" te schrijven. Ik zou dat ter plaatse niet gekund hebben. Je moet afstand kunnen nemen van je onderwerp. En als ik de roman dáár had willen schrijven, dan zat het gevaar erin, dat hij meer op een reportage zou lijken. Dan maar afscheid nemen. Tijdelijk. Gelukkig namen Gerd en Evelyn de huur van mijn huisje over, zodat ik nu en dan toch nog eens kon gaan herstellen van de stad, na het schrijven van het boek. Want mijn avondwandelingen door die volksbuurt waren naargeestiger dan ooit te voren. Ik herinner mij daarvan vooral de stank van schimmel en kattenpis."
Toen Schouwenaars uit zijn vrijwillige ballingschap terug naar Antwerpen was gekomen, huurde hij daar een bovenwoning, waar hij in minder dan een maand tijd De Seizoenen opschreef. Na acht maanden verhuisde hij naar zijn geboorteplaats Mortsel, waar zijn leven een beslissende wending nam.
"Karakterloze buurt. Zogenaamd moderne huizen met voortuintjes en afschuwelijke brievenbussen. Bovendien had ik daar 's avonds meestal wat anders te doen dan rondslenteren, want reeds na anderhalve maand had ik Rotraut leren kennen. Passons. Veel van deze dingen kan men geromanceerd - daar druk ik op - geromanceerd dus, nalezen in "De Stervende Galliër". Een voorbeeld van het verschil tussen relaas en verhaal."
De dichtbundel Jongste Gedichten (1974) kreeg als opdracht "Voor Rotraut". En ook enkele poëziebundels die daarna verschenen, werden aan haar opgedragen. Zie het Chronologisch overzicht .
Rotraut Kerzinger werd Clem Schouwenaars' echtgenote voor zijn hele verdere leven.
De Stervende Galliër verscheen pas in 1977, nadat hij sinds zijn verblijf in Lampernisse nog Oog in Oog (1973), Baldriaan (1975) en Cresus (1976) had geschreven.
In Lampernisse had Schouwenaars een grote voorliefde gekregen voor het wonen buiten de stad, in de ruimte en de vrije natuur. Hij zou dan ook een groot deel van zijn verdere leven op het platteland doorbrengen. Met Rotraut, hun dochtertje Jessica en adoptief-zoontje Thomas woonde hij in het stadje Lo.
In 1979 beschreef Clem Schouwenaars in de roman Bougainvillea (1979) een bekrompen burgerlijke gemeenschap, waarin de kerk en de industrie het voor het zeggen hebben en waarin de hoofdfiguur, een kunstschilder, nauwelijks wordt geaccepteerd. De auteur werd verweten dat hij de gemeenschap van de stad Lo had beschimpt en dat Schouwenaars zelf eigenlijk model stond voor die schilder. Hij ontkende dat. Zijn aanklacht gold niet speciaal welk stadje of dorp ook, maar de maatschappij in het algemeen. Toch bleven bepaalde kringen in Lo hun (ex-)stadgenoot het boek kwalijk nemen.
Na vertrek uit Lo betrok het gezin Schouwenaars de fraaie, gedeeltelijk 200 jaar oude hoeve "De Fonteynehof" bij Houtem in de gemeente Veurne , vlak bij de Franse grens.
In 1979 verscheen De Werken van Barmhartigheid, in 1980 Het Waanbeeld, Winters Verweer en Een Morgen in de Moeren, en in 1981/82, na een inzinking wegens oververmoeidheid, zijn omvangrijkste werk: de tetralogie Emily Beyns, of het Heilig Zwijgen, over een Antwerpse familie in het katholieke bourgeois-milieu, die (in deel vier) voor pijnlijke onthullingen komt te staan. Zelf noemde hij dit werk "Een aanklacht tegen de verrechtsing en het fascisme."
In 1983 verscheen Naschrift voor Jessica.
"Naschrift voor Jessica houdt verband met de tetralogie Emily Beyns. Nog vóór ik met het schrijven van die roman begon, tijdens de moeilijke periode van het voorbereidend zoeken en broeden, vatte ik het plan op om, naast de eigenlijke aantekeningen voor Emily Beyns, in een cahier sommige gebeurtenissen en gedachten te noteren, die in het leven van alledag ontstaan en het groeien van het eigenlijke werk als het ware begeleidden of doorkruisten. Dus ik dacht er toen reeds aan dat het achteraf wellicht de moeite waard zou zijn om verslag uit te brengen over de toestanden "omtrent" Emily Beyns, een opgave, die per slot van rekening een heel stuk van mijn leven overheerst heeft."
Jessica is de dochter van Clem Schouwenaars en Rotraut. Zij was negen jaar toen het Naschrift verscheen. Op de eerste bladzijden verklaart de auteur de titel. Vóór het schrijven van de tetralogie beloofde hij aan Jessica in een onbezonnen bui, dat hij vijf boeken voor haar zou schrijven. Jessica vertelde vervolgens aan iedereen die het horen wilde: "Hij gaat vijf boeken voor me schrijven!", dus vader zat er aan vast. Hij droeg dan ook de vier delen van Emily Beyns op aan zijn dochtertje. Nu zou ze er nog niets van begrijpen, maar later wel. Na die vier boeken moest nog een vijfde volgen, zoals beloofd. Eerst wilde hij Gras aan Jessica opdragen, omdat die roman was geschreven tussen deel drie en deel vier van Emily Beyns. Maar bij nader inzien leek het hem toch beter met het nieuwe, nog te schrijven boek het vijftal vol te maken.
In Naschrift voor Jessica kondigde de auteur aan, dat hij binnenkort een Ars Moriendi ("de kunst van het sterven") zou schrijven. Die bundel verscheen in 1984 en bevat reflecties, beschouwingen, herinneringen en gedichten ("Pavanes").

In 1988, toen hij bezig was met het schrijven van Oktober-Maud Folcke, verliet Clem met de zijnen na een verblijf van bijna twintig jaar het vlakke land van de Westhoek en vestigde hij zich in de "Laterhof" in Lubbeek, in het heuvelachtige Hageland in Vlaams-Brabant. Hij woonde daar tot het einde van zijn leven. Twee jaar na zijn verhuizing verscheen een bundeltje met reflecties, beschouwingen, aforismen en gedichten, met als titel Het Huis op de Heuvel (1991). Eén van de tekeningen die hij na het schrijven van de gedichten ("tertsen") maakte, werd gebruikt voor het omslag. Een jaar later verscheen Hagepreken (1992), ook een combinatie van beschouwend proza en poëzie. De gedichten zijn geïnspireerd door de muziek en hebben dan ook titels als Madrigaal, Sonate en Menuet.

"Gelukkig heb ik mij voortdurend zo geërgerd aan kleinzieligheid en kortzichtigheid, dat het gevaar van door een zekere euforie in slaap gesust te worden gewoonweg niet bestond. Ik had één doel voor ogen: schrijven. Niet ter wille van het geld of om een twijfelachtige roem te vergaren. Het was een noodzaak, het enige middel om te blijven leven en daaraan maakte ik alles ondergeschikt. Ik was slechts gelukkig als ik die noodzaak in mij voelde en wanneer ik een idee of een stemming in mij omdroeg beschermde ik die angstvallig, opdat ze mij niet meer zouden verlaten. Ik werd nog zwijgzamer dan vroeger en brak één na één met de overgebleven vrienden uit mijn jeugd.
Zo werd ik de eenzame die ik nog steeds ben. Het zal wel nooit veranderen. Eenzaamheid is het enige wat overblijft voor wie zich naakt en moedig aan het leven heeft willen offeren. Zelfs nu, na jaren Westhoek en nu ook alweer jaren door de groene rust van het Hageland omringd, weet ik dat daaraan niets zal veranderen. Hoe dan ook, wij blijven altijd alleen en wellicht is het beter zo. Want de eenzaamheid stemt niet wanhopig. Onbewust, gewild of niet, bewaren wij in ons een reservaat waarin niemand binnendringen kan, zelfs niet met de kracht van de liefde, en waarin wij alleen onszelf kunnen herkennen en voltooien."
De laatste romans die Clem Schouwenaars schreef, waren Het Manuscript van Villabrune (1991) en Het Loofhuttenfeest (1993).
"Het Loofhuttenfeest" maakte hij af terwijl hij al leed aan tongkanker, de ziekte die hem uiteindelijk zou vellen. Kort na het voltooien overleed hij, op 10 september 1993.
Hij liet en zeer omvangrijk oeuvre na. Niet al zijn werken hebben dezelfde hoge kwaliteit, maar er zijn genoeg hoogtepunten om Clem Schouwenaars een belangrijk schrijver te kunnen noemen.
1977
Jessica, zeventien jaar na het verschijnen
van Naschrift,  voor het huis te Lubbeek
Verder >
< Terug naar index